Bezoek de fascinerende tentoonstelling over het Normaal Amsterdams Peil en ervaar de eeuwenlange strijd van de Nederlander tegen het water.

Ontstaan van het NAP

Het NAP is meer dan driehonderd jaar geleden ontstaan in Amsterdam, namelijk in de 17e eeuw. In die tijden kwamen overstromingen en wateroverlast vaak voor. De allerheiligenvloed van 1675, welke grote delen van Noord-West Nederland onder water zette waaronder ook Amsterdam, was de aanleiding voor een gedegen aanpak om de bevolking en het land beter te beschermen tegen de zee. Als eerste moest men weten wat de hoogste waterstanden waren. Begonnen is met dagelijks de hoogste waterstanden te meten in het IJ, welke in open verbinding stond met de (toen nog) Zuiderzee. Dit vond plaats tussen september 1683 en september 1684. De daaruit voortvloeiende gemiddelde hoogste vloedstand werd aangenomen als het “STADSPEYL” ofwel het Amsterdams Peil (afgek. A.P.) Dit peil werd als 0-punt (ref­er­en­tievlak) gen­o­men om bestaande dijken en water­kerin­gen te ver­beteren en op te hogen waar nodig, zodat een vei­lige hoo­gte van dijken en water­kerin­gen werd bereikt. Om het A.P. te verzekeren liet de burgemeester van Ams­ter­dam, Johannes Hudde, 8 grote marm­eren stenen in sluizen ron­dom het IJ metselen. Elke steen had in het midden een horizontale groef welke de hoogte aangaf. De tekst op steen luidde:

ZEE DIJKS HOOGHTE ZYNDE, NEGEN VOET VYF DUYM BOVEN STADTSPEYL

Omgerekend is dat 2,67 meter boven het NAP. Deze marmeren stenen (tegenwoordig genaamd “Huddestenen” naar de naam van de Burgemeester), waren bedoeld om aan te geven hoe hoog de zeedijken boven het A.P. (Amsterdams Peil) moesten zijn.

Burgemeester Johannes Hudde en de enig overgebleven dijkpeilsteen (Huddesteen) in de Eenhoornsluis

Burgemeester Johannes Hudde en de enig overgebleven dijkpeilsteen (Huddesteen) in de Eenhoornsluis

Het vervolg na de vaststelling van het AP.

In de loop van de 18de eeuw is het AP door waterpassingen (hoogtemetingen) vanuit Amsterdam verder verspreid naar andere delen van het land en met name langs de grote rivieren en de Zuiderzee. Dit was het werk van generaal Krayenhoff. Door de verspreiding van het AP over grote delen van Nederland werd in 1818 het AP bij koninklijk besluit landelijk van toepassing verklaard. Iedereen moest vanaf dan bij het uitvoeren van hoogtemetingen het AP als uitgangspunt (nul-punt) nemen. Hiermee kwamen andere landelijk in gebruik zijnde peilen te vervallen, zoals bijvoorbeeld: Het Rotte peil, Winschoter peil, Fries zomer peil etc.

Technische ontwikkelingen maakte precisiemetingen mogelijk.

Latere nauwkeurigheidswaterpassingen (zeer nauwkeurige hoogtemetingen) leidden tot een verbetering van het A.P. En kreeg het A.P. (Amsterdams Peil) een nieuwe naam het N.A.P. (Normaal Amsterdams Peil). De invoering van de nieuwe naam vond plaats na 1875.  AP en NAP zijn dus hetzelfde. Het A.P. (N.A.P.) werd vroeger bepaald aan de hand van metingen met een peilstok. Tegenwoordig worden metingen gedaan met behulp van allerlei moderne technieken zoals GPS (satelliet navigatie) of automatische meetinstrumenten. Maar ook wordt er gebruik gemaakt van de techniek ‘hydrostatisch waterpassen’. Wil jij al deze apparaten, meettechnieken en geschiedenis-verhalen van dichtbij bekijken, kom dan gauw een kijkje nemen bij de tentoonstelling over het NAP!